De kleine rietgans

DE KLEINE RIETGANS

 

‘Laten we het over iets anders hebben. De klimaatoorlog bijvoorbeeld of de mislukte tabaksoogst. Maar ik wil het niet over je moeder hebben.’ Zo zei hij dat. Je moeder. Hij zat tegenover me. Hij rangschikte de spullen op tafel van klein naar groot. Lepel, suikerklontje, koffietas, theekop.

 

Ik had bloemen voor hem meegebracht. Wat groen en duizendblad met vier zonnebloemen. Ze lagen nog op het tafeltje naast de deur.

‘Ah’, zei hij, toen ik ze in zijn handen stopte en hij legde de ruiker neer. ‘Ik heb net koffie gezet’, zei hij.

‘Heb je thee?’

‘Nee’, zei hij, ‘ga zitten.’

Hij zette een theekop voor mijn neus en goot er koffie in. ‘Sorry’, zei hij, ‘ik heb nog niet zoveel.’

‘Geeft niet’, zei ik.

 

Hij ging tegenover me zitten. ‘Zo’, zei ik.

‘Hm, zo’, zei hij.

‘Het is wel ok hier.’

‘Ja, ok.’

‘Heb je leuke buren?’

‘Ken ik niet.’

‘Zo’, zei ik.

‘Ja’, zei hij.

Ik nam een slok.

‘Ik dacht dat je weg zou zijn’, zei ik, ‘niet thuis, bedoel ik.’

‘Waarom?’

‘Ik dacht dat.’

‘Waarom kwam je dan? Kwam je omdat ik niet thuis zou zijn?’

‘Nee’, zei ik, ‘ik dacht ik ga langs maar ik dacht ook dat je niet thuis zou zijn. Maakt niet uit. Ik ben hier nu en jij ook.’

‘Ja’, zei hij.

‘Want als je niet thuis was geweest dan zou ik moeten terug komen en dat gaat niet.’

‘Hoezo?’

‘Ik moet een vliegtuig halen.’

‘Zo’, zei hij.

‘Ik ga naar Noorwegen.’

Hij stond op en opende een keukenkastje boven het aanrecht. Er zat een pakje koekjes in en bolognesesaus van Aldi. Palazzo. Hij pakte het pak koekjes, bekeek het even en legde het terug. Hij deed de kast weer dicht, bleef staan en vroeg: ‘Wil je een koekje?’

‘Nee hoor’, zei ik. Hij ging zitten.

‘Ik ga er de kleine rietgans bestuderen. Ze vertrekken binnenkort weer richting Spitsbergen om te broeden. Maar ze maken nog een tussenstop op de eilanden in het noorden van Noorwegen. En dan blijf ik daar nog even. Kamperen en trekken en zo. Het schijnt een prachtige natuur te zijn. Ik blijf zes maanden.’

‘En welke gans was dat?’

‘De kleine rietgans.’

‘Oh’, zei hij.

‘Hm’, zei ik.

 

Op de vaalblauwe sofa lag een krant. Die van gisteren, zag ik. Er zat een put in een van de kussens. Waarschijnlijk sliep hij op de sofa. Ik zag slechts één andere deur en dat moest dan de badkamer zijn. Boven ons begon iemand te stofzuigen. ‘Misschien moet je eens langsgaan in de bibliotheek’, zei ik, ‘ze hebben een behoorlijke collectie nu.’ Hij knikte en nam een slok.

‘Want we hebben jouw boeken weggedaan’.

‘Ja, tuurlijk’, zei hij. ‘Verkocht?’

‘Nee, naar de kringloopwinkel.’

‘Ach zo.’

‘Ik heb wel dat ene boek van Bernardino Mei gehouden. Als je ’t terug wil dan kan ik daar misschien wel eens voor zorgen.’

‘Nee, hou het maar’, zei hij.

‘Het is echt een heel mooi boek.’

‘Dat weet ik toch’, zei hij, ‘hou maar.’

 

Mijn koffie was op maar de theekop was nog warm. Ik hield ze met twee handen vast, mijn rechterringvinger stak door het oortje.

‘Kijk, Peter’, begon ik. Ik trok mijn hand terug en de kop viel om. Er lagen een paar druppels gemorste koffie op tafel. Hij keek ernaar en stond niet op om een doek te halen.

‘Dus, Peter’, zei ik en mijn hartslag sloeg een paar keer in. Hij keek naar zijn handen voor zich op tafel.

‘Waar heb je haar gelaten, Peter?’, vroeg ik. ‘Waar kunnen Tomas en ik haar zoeken?’

Ik zag hem slikken. Hij keek langs me heen naar een plek op de muur.

‘Peter’. Ik probeerde mijn ogen in zijn kijkrichting te wringen. ‘Je hoeft niet meer te zwijgen. Je bent hier nu, ik ben hier. Jij blijft hier, ik ga naar Noorwegen. Tomas woont in Londen. Wij willen weten waar mama is. En dan is het klaar. Dan is het af. Dan kom ik niet meer met bloemen. Dan is het jij en jij alleen in dit kutstudiootje. Kan je de deur dicht laten, koffie lurken uit te grote theekoppen, de koekjes onaangeroerd voorbij de houdbaarheidsdatum laten liggen in je gammele keukenkastjes, slapen op je vieze sofa tot ze boven na de middag beginnen te stofzuigen en elke dag weer het nieuws van gisteren lezen. Want dat wilde je toch hé? Dat is toch wat je wilde bereiken?’ Ik wachtte. Hij keek op.

 

‘Over vijftig jaar wonen wij hier aan zee’, zei hij en hij knikte. ‘Duinen en stranden. Meeuwen. Wie weet zelfs die ganzen van jou.’ Ik bleef hem aankijken. Echt waar Peter, dacht ik, het interesseert met geen hol.

‘Ja’, zei hij terwijl hij met een suikerklontje speelde, ‘de stijgende zeespiegel is niet om mee te lachen.’ Ik lach niet, Peter, dacht ik. Lach ik? Ik lach niet.

‘De overheid zou trouwens echt iets moeten doen voor die arme landbouwers. Misschien moeten ze inzetten op biologische tabak. Kan interessant zijn. Met subsidies of zo.’

 

Er zat weer een glans in zijn ogen. Die verleidelijke, guitige blik. Die blik die me zo vaak had misleid. Met één sprong het koude zwembad in. ‘Het water is zalig, kom maar.’ Een gebroken elleboog. ‘Jij kan beter aan die snoepjes helemaal bovenin, kruip maar op mijn schouders.’ Het gat in mijn hand. Hij hield het onder een vergrootglas in de brandende zon. Maar hij deelde wel de roze Mentossen met mij en hij schopte ooit een open wonde in de knie van een vervelend klasgenootje. Het kwam erop neer dat ik hem altijd nodig had. Nog altijd, verdomme.

 

‘Peter, ooit had ik met jou uren willen praten over je passie voor drinkbaar water en had ik willen discussiëren over het feit of zonnepanelen of warmtepompen of weet ik veel wat de beste keuze is of niet voor een energiezuinige woning. Ik was de eerste geweest om met jou een put te gaan graven in Senegal of die verdomde houtkap in Brazilië te gaan bestrijden. Maar nu, Peter, wil ik slechts één ding van jou weten.’ Hij vroeg het zich af, trok zo’n gezicht. ‘Mama. Mijn mama, de mama van Tomas, jouw mama. Waar moeten we zijn, Peter? We vragen zelfs niet om het ons te tonen, om met ons mee te gaan, om met je blote handen in het door jou gegraven graf te wroeten of een betonblok open te breken, laat staan naar de politie te gaan om je te doen bekennen. Nee.’

 

Hij legde zijn hoofd op zijn rechterschouder, kneep zijn ogen samen en tuitte zijn lippen. Daarna schoof hij zijn stoel naar achter. Hij nam de twee kopjes en zette ze in de afwasbak en vulde ze met water. Met een theedoek ruimde hij de koffiedruppels en de suikerkorrels op. Toen liep hij naar de deur, zette ze open en pakte de bloemen. Hij ging in het deurgat staan met zijn rug naar me toe. Ik ging naast hem staan. ‘Ik heb mama gelaten waar ze mij het liefste had.’ Ik pakte de ruiker aan die hij tegen mijn borst drukte en hij zette me met een zachte hand tussen mijn schouderbladen buiten, de drempel af.

‘Dag zus. De groeten aan de ganzen.’

 

© Braakbal

info@braakbal.be

+32 485 203 110